Nieuws

Staatssecretaris Economische Zaken Mona Keijzer bezoekt PurmerValley

Geplaatst op

Mona Keijzer was naar Purmerend gekomen om te vernemen op welke wijze PurmerValley bezig is om de samenwerking tussen ICT bedrijven, onderwijs en overheid te optimaliseren en jongeren te enthousiasmeren om te kiezen voor technische / IT opleidingen. 
 
Na een welkomstwoord door Dirk Tuip, voorzitter Stichting PurmerValley, Dirk Tuip, vertelt bestuurslid Bart Kuipers over de ambities en visie op de ontwikkeling van een doorgaande leerlijn in het ICT-onderwijs. Een leerlijn die in samenwerking met het lokale bedrijfsleven en onderwijs wordt ontwikkeld. 
 
Namens PurmerValley vroeg Bart Kuipers de staatssecretaris om te bekijken wat er financieel mogelijk is. “Succesvol zijn kan niet zonder financiële middelen en als we iets doen willen we het goed doen. Eerste doel is om een proven concept in Purmerend te ontwikkelen.” In een interactief gesprek met de staatssecretaris, het onderwijs en de IT-bedrijven werd duidelijk dat iedereen enthousiast is over een volgende stap. De komende weken zal hier vanuit lokale, regionale en nu ook landelijke overheid naar gekeken worden. 
Het bestuur van PurmerValley en Wethouder Harry Rotgans heten Mona Keijzer van harte welkom op de locatie
van het voormalige Scholengemeenschap Rijks-HBS / De Ark – waar online & ICT bedrijven zich hebben gevestigd.
Advertenties

`Databoys’ versnellen leukemieonderzoek

Geplaatst op

Wat medische onderzoekers nooit lukte, deed een groep ‘databoys’ in een weekend. Met dna-gegevens van kinderen met leukemie voorspellen of een behandeling zal aanslaan. ‘Wij ontdekken nu dingen die je via conventioneel medisch onderzoek nooit kan achterhalen.’

Het is vrijdag 9 juni 2017. De driedaagse hackathon van ABN Amro gaat van start in Sugarcity in het Noord-Hollandse Halfweg. De voormalige suikerfabriek met haar twee kenmerkende grijze silo’s is dit weekend het domein van techneuten, creatievelingen en datascientists van de bank en andere bedrijven zoals consultant Deloitte, computergigant IBM en scheepvaartconcern Maersk Line.

Een datascientist is iemand die uit grote hoeveelheden data relevante informatie voor bedrijven kan halen. Bijvoorbeeld informatie die helpt voorspellingen te doen voor de toekomt, of bepaalde processen kan verbeteren. Tijdens een hackathon — een meeting waar datascientists samen een bepaald probleem proberen op te lossen — worden de nieuwste technieken in big data-onderzoek besproken en uitgeprobeerd. De normale regels van het concurrentiegedreven bedrijfsleven gelden hier even niet. Alle nieuwe inzichten worden met elkaar gedeeld.

Bij de hackathon van ABN Amro zijn deze vrijdag zo’n 200 deelnemers aanwezig, waaronder 20 datascientists. Ze staan op het punt het hele weekend achter een computer door te brengen, met tussendoor af en toe een een potje tafelvoetbal, een hap pizza of een uurtje rust op een van de veldbedjes in het pand. Voordat ze aan de slag gaan, krijgen de datascientists een spoedcursus geneeskunde van twee vooraanstaande wetenschappers: Peter van der Spek van het Erasmus MC en Jules Meijerink van het Prinses Maxima Centrum voor kinderoncologie. De datascientists van ABN Amro, Deloitte en databedrijf Quantillion hebben voor de hackathon aangegeven dat zij ditmaal een set medische data willen analyseren. Daarbij is het wel handig om te weten hoe het menselijk lichaam in elkaar zit, en hoe erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd.

En dus leggen de twee wetenschappers de datascientists uit dat alle cellen in het lichaam chromosomen bevatten: een soort strengen. En dat die chromosomen weer bestaan uit DNA, waarin erfelijke eigenschappen in een code zijn vastgelegd. Als je al die DNA in beeld brengt, levert dat data op over hoe het lichaam werkt. Heel veel data zelfs. Waarom gebeurt dit op een bijeenkomst van ABN Amro? De centrale vraag van het weekend luidt: ‘hoe ziet de toekomst van bankieren eruit?’ Maar er wordt ook gekeken naar wat banken van andere sectoren kunnen leren, en wat die andere sectoren aan de kennis van banken hebben. De zorg kan wel iets van de banken opsteken, zo denken een aantal aanwezigen.

Even terug naar begin 2017. Tijdens de voorbereiding op de hackathon komt organisator Tjebbe Tauber van ABN Amro via een kennis in contact met professor Peter van der Spek, hoofd van de Klinische Bioinformatica bij het Erasmus MC in Rotterdam. Samen met moleculair bioloog Jules Meijerink van het Prinses Maxima Centrum in Utrecht komen ze op het idee om de ‘databoys’, zoals Van der Spek de datascientists noemt, een keer naar een medische dataset te laten kijken. Misschien kunnen zij het medisch onderzoek wel een stapje verder brengen, zo is de hoop van de drie.

‘Banken en telecombedrijven zijn op datagebied een stuk verder dan de gezondheidszorg. Zij werken al helemaal digitaal, terwijl de geneeskunde zich als het ware nog in het hangmap-tijdperk bevindt. Dat betekent dat je als medisch onderzoeker heel veel van deze bedrijven kunt leren,’ zegt Van Der Spek. Tijdens een van de gesprekken die Tauber, Van der Spek en Meijerink voeren concluderen ze dat ze het beste een dataset kunnen gebruiken waar de wetenschappers al een ‘onderbuikgevoel’ bij hebben. Oftewel: waarbij ze het sterke vermoeden hebben dat erfelijke eigenschappen bepalen of een behandeling zal aanslaan. Op die manier kunnen ze de analisten een kader geven voor hun zoektocht door de data.

In dit geval gaat het om een set dna-gegevensvan kinderen met leukemie. Het is al langer bekend dat het ene kind met leukemie goed reageert op een relatief lichte behandeling, terwijl de ander juist de zwaarste variant van de chemotherapie nodig heeft. In de praktijk leidt dit ertoe dat maar de helft van de kinderen goed behandeld kan worden. Ongeveer 30% krijgt ernstige bijwerkingen en een op de vijf kinderen overleeft de behandeling zelfs niet.

270 kinderen

Oncologen vermoeden dat het verschil in reactie op de therapie met een groep genen en mutaties te maken heeft. Maar welke genen precies relevant zijn voor het al dan niet slagen van de therapie, daar krijgen onderzoekers moeilijk de vinger achter. Dus misschien is het goed om met een heel ander oog naar de data te kijken. Van der Spek: ‘Wij vinden het als onderzoekers heel interessant om te kijken wat bepaalde factoren in het bloed of in de urine zeggen. Datascientists kijken juist naar de verbanden die zij zien in de cijfers en gegevens.’

Voorafgaand aan de hackathon verzamelt Van der Spek met Meijerink de data van 270 kinderen met leukemie. Deze kinderen namen de afgelopen 14 jaar deel aan een wetenschappelijk onderzoek: daarom zijn van velen van hen de dna-gegevens bekend. Bovendien is vastgelegd welke therapie zij voorgeschreven kregen, en hoe effectief deze uiteindelijk is geweest. De gegevens worden geanonimiseerd voordat de data-analisten er mee aan de slag gaan.

Bij de data is het belangrijk goed te kijken wat de waarden precies zeggen, zo vertellen Van der Spek en Meijerink aan de datascientists op de vrijdag van de hackathon. Zo kan een leeg vakje bij het effect van een behandeling meerdere dingen betekenen: bijvoorbeeld dat een kind als gevolg van de leukemie is overleden. Maar het kan ook zijn dat het kind ergens anders door is overleden, of simpelweg geen vragenlijst heeft ingevuld. Niet te snel conclusies trekken dus, is de boodschap van de wetenschappers.

Na de lezing van Van der Spek en Meijerink gaat de hackathon officieel van start. Organisator Tauber is zeer benieuwd, zelfs enigszins gespannen. Lukt het de databoys om iets te vinden in het enorme databestand, met ruim 54.000 metingen per patiënt? En zit het antwoord wel in de data?Die twijfels verdwijnen in de loop van de zaterdagmiddag. Tauber ziet Van der Spek en Meijerink met de datascientists overleggen over de bevindingen tot nu toe. Op hun gezichten is verbazing en enthousiasme af te lezen. Blijkbaar schieten de datascientists raak, denkt Tauber. Wat blijkt: de datascientists hebben verschillende voorspellende factoren gevonden. Het is hen zelfs gelukt om een genengroep te vinden die voorspellend blijkt te zijn voor het al dan niet slagen van een behandeling. Iets waar medisch onderzoekers tot nu toe nog niet in waren geslaagd.

De bevindingen van de datascientists moeten nog wel wetenschappelijk gevalideerd worden voordat ze in de praktijk bruikbaar zijn. Meijerink heeft hier inmiddels een onderzoeker voor aangenomen. ‘Zo’n validatie duurt natuurlijk wel even, omdat je daarvoor een grotere groep patiënten nodig hebt,’ zegt Van der Spek. ‘We proberen daarvoor ook patiënten van buiten Nederland bij het onderzoek te betrekken.’

Pas na de validatie kunnen ook de medische richtlijnen worden aangepast. Dan kan er dus een dna-analyse plaatsvinden voordat de behandeling wordt gestart, om te zien of het zinvol is om met de meest zware therapie te starten. Of dat het wellicht beter is met een minder zware behandelingen te beginnen.

De uitkomsten van de hackathon zijn ook nuttig voor verder wetenschappelijk onderzoek naar leukemie, zegt Van der Spek. ‘Ze helpen namelijk om een beeld te krijgen van de factoren die een rol spelen bij het ontstaan van de ziekte en het verloop ervan. Dat kunnen eventueel aanknopingspunten zijn voor een nieuw medicijn.’

Deze manier van data-onderzoek biedt volgens Van der Spek enorme mogelijkheden voor de medische wereld. ‘Je brengt met de datascientists en medisch onderzoekers twee hele slimme groepen mensen bij elkaar. Door die twee werelden met elkaar te combineren, ontdek je echt dingen die je via conventionele medische onderzoeken nooit kan achterhalen.’

Tegelijkertijd worden die nieuwe mogelijkheden door sommigen ook als een bedreiging gezien. Van der Spek: ‘De databoys begeven zich ineens op ons vakgebied als medisch onderzoekers. En dan blijkt ook nog eens dat die jongens van de bank iets vinden wat wij niet hebben kunnen vinden – dat vindt natuurlijk niet iedereen even leuk.’

Maar bij het Erasmus MC hebben ze de smaak inmiddels te pakken: er wordt nu gewerkt aan een tweede project. Voor de volgende hackathon van ABN Amro, in juni 2018, moet een vergelijkbare dna-dataset van patiënten met huidkanker klaar liggen. De hoop van Tauber en Van der Spek is dat de datascientists uit die gegevens kunnen achterhalen welke genen voorspellen of een vorm van huidkanker uit gaat zaaien. Van der Spek: ‘Blijkbaar kun je in 48 uur zo’n model maken. Dat kan dan voor elke kanker en elke genetische aandoening.’

BRON: FD 16-12-2017

Ons logo is zó 2015!

Geplaatst op Geupdate op

Ontwerp de nieuwe huisstijl van PurmerValley en win een masterclass bij een van de Purmerendse ICT bedrijven, € 100,- en uiteraard de eeuwige roem!

Voor wie?

Voor alle leerlingen van de Purmerendse ScholenGroep, Clusius College en het Horizon College.

Wat?

Ontwerp een nieuw logo, huisstijl (bladspiegel), visitekaartje en uiterlijk van onze website. Daarnaast willen wij graag een toffe achtergrond foto voor Facebook waar ook onze partners vermeld worden. Het is belangrijk dat de visie van PurmerValley in alles naar voren komt. Hiervoor kijk je op www.purmervalley.com.

Wanneer?

Stuur jouw ontwerp vóór vrijdag 12 januari 2018 naar info@purmervalley.nl o.v.v. je naam, school en leerjaar. Hier kun je ook terecht voor aanvullende vragen en informatie over de wedstrijd.

Eind januari 2018 zal de prijsuitreiking plaatsvinden. Waar en wanneer precies laten we je nog weten. In de jury zullen plaatsnemen Dirk Tuip (voorzitter PurmerValley), Harry Rotgans (wethouder Gemeente Purmerend), Mariëlle de Munnik (Rabobank Waterland) en Henry Wassink (ad68).

Wij laten ons graag verrassen en wensen jullie heel veel succes!

Met vriendelijke groet namens het bestuur van PurmerValley

 

‘ Digitale architectuur is een kwestie van beschaving’

Geplaatst op Geupdate op

De winstgevendheid en continuïteit van bedrijven worden steeds meer bepaald door de vraag of de IT-huishouding op orde is. Onderzoeker Daan Rijsenbrij en vier topmensen uit de IT-wereld over het vitale belang van digitale architectuur. ‘Voor je gaat automatiseren moet je reorganiseren. Anders automatiseer je chaos.’

De stem van de Chief Information Officer (CIO) in de bestuurskamer klinkt steeds luider en dwingender. Hij — meestal betreft het een representant van het mannelijke geslacht — of zij bepaalt in toenemende mate hoe soft- en hardware zorgen voor een betere dienstverlening, snellere productiemethoden en uiteindelijk een hogere winstgevendheid. De CIO wordt bovendien geacht de vertaalslag te maken tussen automatisering en gemak op de werkvloer. Daar komt tegenwoordig de urgente aandacht voor cybersecurity nog eens bij.

De gereedschapskist van de CIO heet digitale architectuur en dat is de specialisatie van de theoretisch natuurkundige Daan Rijsenbrij. Hij werkte ruim dertig jaar bij automatiseringsbedrijf Capgemini en was hoogleraar bedrijfsinformatica aan de VU en de Radboud Universiteit. Hij onderwierp in de loop der jaren als ‘dwarskijker’ een lange rij IT-projecten aan een kritisch onderzoek.

De vele (financiële) debacles die Rijsenbrij aan zich voorbij zag trekken, zijn naar zijn stellige mening allemaal terug te voeren op gebrek aan aandacht voor architectuur. ‘Neem het drama bij de Belastingdienst, in het bijzonder met de problemen rond toeslagen. Dan hoor ik mensen zeggen dat de Tweede Kamer te hoge eisen stelt aan de Belastingdienst. Kletskoek. Met een goede architectuur en een zorgvuldige en onpartijdige manier van tegen het licht houden is zo’n systeem Tweede Kamer-proof te maken.’

Aan oneliners over zijn gedurende vele jaren opgebouwde ervaringen heeft Rijsenbrij geen gebrek: ‘Automatiseren zonder architectuur is als rommelen in het duister’; ‘Architectuur staat voor orde en samenhang en is een kwestie van beschaving’; ‘Architectuur bepaalt de winstgevendheid en continuïteit van een onderneming. De CIO is even belangrijk als de CFO’; ‘Het zal blijken dat de belangrijkste architecten van de 21ste eeuw de architecten van de digitale wereld zijn’.

Hij is wat minder rap van de tongriem gesneden als hem wordt gevraagd een definitie te geven wat digitale architectuur dan precies inhoudt. ‘Eigenlijk boeit die vraag me niet erg. Er is in elk geval geen bedrijf dat hieraan ontkomt. Een strak geregisseerde en logische architectuur is absoluut nodig, anders ben je overgeleverd aan leveranciers, afdelingsmanagers en een wildgroei aan nieuwe applicaties die over de werknemers wordt uitgestort. Het is vaak moeilijk en niet sexy, maar zonder goede architectuur zijn er geen slimme apparaten te maken, raken medewerkers de weg kwijt, lopen bedrijfsprocessen spaak en is security onhaalbaar. De digitale architect hoort dus regelmatig in de boardroom te worden geraadpleegd .’

Rijsenbrij grijpt graag terug op de Romeinse architect Marcus Vitruvius Pollio. Hij formuleerde zo’n 2000 jaar geleden drie basisprincipes waar een gebouw of viaduct aan dient te voldoen. ‘Het moet stevig en betrouwbaar zijn, geschikt voor de gebruiker en het moet er mooi uitzien. Hetzelfde geldt voor digitale architectuur.’

Het succes van een bedrijf — ook het traditionele — is nu bijna volledig afhankelijk van de vraag of de IT-huishouding op orde is. Zonder strakke regie op de exploderende hoeveelheid applicaties, verbindingen en data zakt een organisatie vroeg of laat door haar hoeven, zo is de stellige overtuiging van Rijsenbrij. Shell pompt tegenwoordig meer data dan olie op. Meer data dan de concurrent betekent dat je betere analyses kunt maken, ‘mits de IT-infrastructuur zo is ingericht dat al die gegevens op een nuttige manier worden verzameld en beheerd.’

De CIO moet in de gaten houden dat de balans tussen techniek en gebruiksvriendelijkheid in orde is. ‘Een goede CIO maakt van de onderneming niet een soort Efteling met een serie losse attracties die allemaal erg spannend zijn, maar die niet bijdragen aan de totaalbeleving. Nieuwe technologieën bieden mogelijkheden tot geavanceerdere architecturen, maar de inzet van technologie dient dienend te blijven aan de missie van het bedrijf en de medewerkers.’

Het verbaast Rijsenbrij dat het zo lang duurt voordat de waarde van architectuur wordt erkend en een eigen budget krijgt toegekend. ‘In het begin van het IT-tijdperk, ongeveer zestig jaar geleden, hadden we al ontdekt: je moet eerst reorganiseren en daarna automatiseren, anders ben je bezig de chaos te automatiseren. Nu zouden we dat uitdrukken als eerst een volwassen uitgebalanceerde architectuur, daarna pas de IT implementeren of digitaliseren, anders heb je totaal geen zicht op wat je aan het doen bent. Ik zie dat helaas nog te weinig gebeuren’.

Als architectuur zo belangrijk is en voor de hand ligt, waarom worstelen dan zoveel bedrijven met hun digitale infrastructuur en lezen we regelmatig dat weer een automatiseringsproject is mislukt? Zijn het uiteindelijk toch de te hoge kosten? ‘Wat zijn de kosten als je het niet doet? Dan ga je koorddansen zonder een net eronder. Het is krenterigheid van de bovenste plank. Architecten lijken een beetje op advocaten en tandartsen. Een goede tandarts is duur, maar een dure tandarts hoeft nog niet goed te zijn. Kijk uit dat je niet beknibbelt op de kosten van een goede architect. Een goede CIO pakt ook niet alles tegelijk aan, maar bepaalt op strategisch niveau wat de prioriteiten voor een bedrijf zijn.’

 Zonder keuzes is het chaos

IT-architectuur is voor veel mensen een vaag en dus onnodig begrip: duurdoenerij van de IT-afdeling, de kosten omhoog jagen en het allemaal lekker moeilijk maken. Toch is IT-architectuur belangrijker dan ooit, omdat IT-veranderingen elkaar nooit eerder zo snel opvolgden als nu.

Als je een mooi, geavanceerd huis bouwt, maar het staat op een plek waar je geen toegang hebt tot riolering, water, elektriciteit en straks glasvezel, dan wil niemand het huis bewonen. Daarnaast kun je dan niet optimaal gebruikmaken van de geavanceerde technologieën die je hebt gebouwd. Met IT-architectuur is het net zo. Je moet nadenken over hoe dingen samenwerken en hoe IT, toekomstige ontwikkelingen en behoeften van hun organisatie kunnen ondersteunen, zodat je de beste partner voor competitieve innovatie blijft.

Bij AkzoNobel anticiperen we daarom op wat de toekomst wil en hoe we onze architectuur daar al klaar voor kunnen maken om een competitief voordeel te krijgen. Zo zijn bij ons Cyber Resilience, Internet Centric en Cloud First steeds belangrijker. Als je vandaag niet anticipeert op dergelijke digitale transformaties in bedrijven, dan heb je morgen een huis dat niemand wil kopen.

Je moet strategisch nadenken over wat er wordt verwacht van IT om het bedrijf te blijven ondersteunen. Maak een bewuste keuze welke technologieën je wel en niet wilt gaan inzetten. Als je geen keuze maakt, kies je voor chaos. Je bent dan met het bedrijf aan het gokken, want je laat het aan het lot over of je mogelijk een doodlopende straat in rent.’

Te abstract voor de board

De levensvatbaarheid en de continuïteit van bijna alle ondernemingen worden tegenwoordig in sterke mate bepaald door de juiste IT. IT-architectuur geeft vaak aanleiding tot verwarring bij niet-specialisten. Als het goed gedaan is, beschrijft de IT-architectuur minimaal de businessprocessen, de bronnen en structuur van de bedrijfsdata, de systemen en applicaties, de keuzes in typen hard- en software en hoe dit alles samenhangt en beveiligd wordt.

Bij alle bedrijven waar ik heb gewerkt vind ik het essentieel dat deze architectuur kwalitatief voldoende is vastgelegd. Op welke basis kunnen er anders strategische investeringsbeslissingen gemaakt worden? Zonder plattegrond is het heel moeilijk bouwen en verbouwen.

Tegelijk is de vorm van vastlegging van een dergelijke gelaagde architectuur en het gebruikte jargon vaak erg specialistisch en niet geschikt voor een boardroomdiscussie. Dat maakt dat er vaak te weinig aandacht voor is, met gevolgen zoals onderschatting, vertraging, budget overschrijding of het geheel afschrijven van grote en dure IT-projecten.

Wat je dan hoort, is: het nieuwe systeem “past niet” bij de andere systemen, de software heeft niet de gewenste functionaliteit, de data zijn niet met voldoende structuur en kwaliteit beschikbaar, de performance is onvoldoende, enzovoort. Om dit alles te voorkomen dient elk bestuur zeker te stellen dat de organisatie beschikt over een kwalitatief goede IT-architectuur en ieder nieuwe investering hieraan te toetsen of laten toetsen.’

Afstemming is cruciaal

Neem de online verbonden tandenborstel, die veel meer doet dan alleen poetsen. Denk ook aan via internet aangesloten producten voor zorg en monitoring, die gericht zijn op bijvoorbeeld ouderen of kinderen. Dergelijke innovatie werkt alleen als je een model hebt waarbij afstemming tussen uiteenlopende afdelingen en functies plaatsvindt. Alles moet met elkaar samenwerken om de klant de juiste ervaring te kunnen bieden.

Deze oplossingen, zoals patiënten monitoring, precisie-diagnose en consumententechnologie, vragen dat onze producten als bouwblokken gezien worden die op elkaar en op andere systemen aangesloten moeten worden zodat nieuwe zorgpaden ingericht kunnen worden.

Zo brengen we nu volledige diensten op de markt, die uit apparatuur, software, data en services bestaan, om bijvoorbeeld een radiologie-afdeling technisch te ondersteunen, of om een patiënt met slaapapneu thuis te begeleiden en met zijn zorgteam te verbinden. Dit vereist dat we onze systemen onder architectuur ontwerpen, zodat de uitlevering van gegevens, beveiliging en aansturing van apparatuur vlekkeloos verloopt.

Binnen de architectuur kijken we naar technische en functionele samenhang en zorgen we dat nieuwe technologie zoals AI, Internet of Things en de Cloud hun plek krijgen.

Onze oplossingen moeten ook naadloos verbonden zijn met onze interne systemen, zodat onze klanten online kunnen bestellen, systemen kunnen configureren en onze digitale supply chain deze systemen op tijd levert en verbindt met het 24 uurs servicenetwerk. Nu alles met alles verbonden wordt, gemak in gebruik vooraan staat en beveiliging is gegarandeerd, is architectuur een absolute vereiste.’

Wegennet wordt smart

We werken dagelijks aan een veilig, leefbaar en bereikbaar Nederland. Dankzij alle technologische ontwikkelingen en kansen die dat biedt, zijn we ondertussen ook aan het bouwen aan een intelligent Nederland.

Het is de kunst voor een CIO om het nieuwe met alle zorgvuldigheid door te voeren. De makke van veel doorsnee IT-architecten is dat ze praten over zaken die absoluut niet overkomen. Dus vraag ik van mijn architecten dat ze de vaktaal beperken tot onderling gebruik en die niet bezigen bij bijeenkomsten presentaties in het bedrijf. Dat helpt de boodschap over te brengen.

Rijkswaterstaat stuurt met zijn i-Strategie op de optimale toepassing van informatievoorziening binnen de organisatie. Werken onder architectuur is één van de prominente maatregelen die daarbij horen. De architectuur van onze informatievoorziening is de blauwdruk voor alle lagen van ons IT-, data- en applicatielandschap.

Als CIO kijk je door een bepaalde bril naar de totale bedrijfsvoering van een organisatie. Als alle IT netjes draait, vinden velen het allang prima. Terwijl wij vanuit de informatievoorziening naar heel andere dingen kijken. Wij kijken naar uniformiteit, naar IT-ontwikkelingen, naar nieuwe IT-mogelijkheden, naar risico’s op het gebied van cyberbeveiliging.

Bovendien, als je wat wilt veranderen, dan heb je meteen te maken met uitvoerende medewerkers die op een bepaalde wijze kijken naar hun eigen vertrouwde werk. Architectuur ruimt impliciet dus oude gewoonten, vastgeroeste conditioneringen en vertrouwelijke zekerheden op. Dat voelt niet altijd even fijn.

Daarnaast is ook de digitale veiligheid een elementaire voorwaarde. Consequent werken onder IT-architectuur ondersteunt het “security by design”-principe, waarbij we vanaf de ontwikkeling tot het levenseinde van de IT-toepassing de digitale veiligheid en privacy willen borgen.

Data worden door Rijkswaterstaat beschouwd als een vitale asset, en daarom zijn wij op weg om een informatie-gedreven organisatie te worden. De beschikbaarheid en integriteit van data is dan ook van groot belang, naast de samenhang in de data. Daarom is hoe wij omgaan met data ook een belangrijk onderwerp in onze architectuur.’

 

Bron: FB 25-11-2017

App brengt hackers in het vizier

Geplaatst op Geupdate op

Organisaties weten nauwelijks wanneer en door wie hun webapplicaties worden gehackt. Laat staan dat zij gestolen data missen. BitSensor, dat klanten hier inzicht in geeft, ziet een nagenoeg onontgonnen markt. Nu nog het verkoopproces goed op de rails krijgen.

De knalrode maatkostuums van Alex Dings (21) en Ruben van Vreeland (22) hangen nog aan de Ikeahoogslaper annex koffiehoek in het krappe kantoor. Ze werden gedragen tijdens de recentste awarduitreiking in het nog prille bestaan van BitSensor, dat is gevestigd in het multimediapaviljoen op de campus van TU Eindhoven. Tijdens de Computable Awards, begin november, veroverden ze de titel ‘beste Nederlandse startup van het jaar’. Dings, inmiddels gekleed in spijkerbroek met wit Tshirt, is er zeer content mee. Want behalve de jury mocht het publiek, dat bestond uit ICTprofessionals, een stem uitbrengen. ‘Daar zitten onze uiteindelijke klanten’, zegt de jonge ondernemer. ‘Voor het eerst hebben we daarom écht campagne gevoerd.’ Tussen het massaal aanwezige zwartwit in de zaal waren de twee oprichters niet te missen.

Bijna twee jaar geleden schreven de oudstudenten technische informatica zich in bij de Kamer van Koophandel. Even daarvoor waren ze op het idee gekomen in de beveiliging van webapplicaties te stappen, zoals internetbankieren, verzekeraarsportalen en salarisadministraties. Van Vreeland, al sinds zijn veertiende ethisch hacker, wist al van jongs af aan bij tal van bedrijven via deze achterdeur binnen te dringen. Hacks die hij altijd netjes aanmeldde, onder andere bij Marktplaats, eBay, LinkedIn en crowdfundingsplatform Indiegogo.

‘Hoe kan dat nou? Die bedrijven hebben toch gigantische securitybudgetten?’ Dings herinnert zich hoe verwonderd ze zelf waren. ‘Wat bleek, is dat op de applicatielaag vooral verouderde beveiliging te vinden is. Toen we dit beseften, werd het interessant.’ In het begin viel hen vooral hoongelach ten deel: technisch zou het niet mogelijk zijn. ‘Nu zie je de markt ontstaan.’

Moderne beveiligingsoplossingen, zoals firewalls en antivirussen, zitten als een soort vangnet om webapplicaties heen. ‘Zet het te strak en je blokkeert klanten, zet het te los en je geeft hackers vrij spel. Dat krijg je niet afgesteld’, aldus Dings. De software van BitSensor draait in de applicatie zelf. Die kijkt mee met het binnenkomende dataverkeer, hoe daarop wordt gereageerd en wat naar buiten gaat. Met deze informatie worden ook hackersprofielen opgesteld. Zodra sprake is van een digitale inbraak of poging daartoe, krijgt de ITafdeling van de klant het signaal actie te ondernemen. Waar het bedrijven vaak maanden kost een hack te detecteren, als het al lukt, belooft BitSensor dit in milliseconden te doen. De Eindhovenaren beschermen 1200 applicaties, vooral in de financiële sector. Dat aantal neemt snel toe. Volgens Dings zit de pijplijn al ‘ramvol’ aanvragen. Voor welke klanten de onderneming werkt, kan hij niet zeggen. ‘Als BitSensor op de een of andere manier kwetsbaar blijkt, dan worden die bedrijven als eerste gehackt.’ Duidelijk is wel dat de programmeurs om tafel zitten bij banken, betaalbedrijven, consultancyfirma’s en verzekeraars. In Nederland, maar ook in de ons omringende landen. De omzet in beginjaar 2016 bedroeg minder dan een ton.

Sinds kort voert BitSensor gesprekken met universiteiten en hogescholen. Met het nog in ontwikkeling zijnde BitSensor Forensics willen ze in digitale logboeken duiken en op zoek naar sporen van eerdere inbraken. Het inmiddels afgeronde marktonderzoek werd betaald door het Rijk vanuit de Small Business Innovation Research-regeling. Binnenkort gaat een vervolgaanvraag de deur uit, ditmaal van twee ton, om het product daadwerkelijk te kunnen bouwen.

De aanschaf van BitSensor begint bij € 1000 per maand. De hoeveelheid servers waarop een applicatie draait, bepaalt de uiteindelijke prijs. Niet de hoeveelheid data die er doorheen gaan, zoals in de beveiligingsmarkt gebruikelijk is. Dings: ‘We zien dat dit verdienmodel op basis van het aantal servers redelijk voorspelbaar is, ook voor onze partners.’ Desondanks is het stroomlijnen van het verkoopproces de grootste uitdaging. Vooral het in kaart brengen van klanten die snel geneigd zijn het product aan te schaffen. Om te bepalen waar het het beste aanslaat, verkent BitSensor verschillende sectoren waar veel dezelfde applicaties draaien, zoals in ziekenhuizen en het hoger onderwijs.

Gekwalificeerd personeel aantrekken is de tweede grote uitdaging. Jonge, goed opgeleide ontwikkelaars zijn lastig te vinden. Van Vreeland en Dings dachten te rekruteren onder Eindhovense TU-studenten. ‘Dat valt wel een beetje tegen’, aldus Dings.

Momenteel zijn ze met z’n tienen, waarvan drie zich op de sales richten. Karl Driesen (48), oud-verkoopdirecteur van beveiliger Palo Alto Networks, is één van hen. Driesen is vanuit de Vlaamse investeerder Volta Ventures als coach betrokken. Begin dit jaar investeerde Volta vier ton in BitSensor, in ruil voor een ‘aanzienlijk minderheidsbelang’. Hun kennis en reputatie gaf de doorslag. Dings: ‘Naast het feit dat we de transactie binnen drie weken konden afronden.’ Voor 2018 wordt gedacht aan een nieuwe kapitaalronde, bedoeld om de verkoop op te schalen.

Om in binnen- en buitenland voet aan de grond te krijgen, werkt BitSensor samen met zorgvuldig geselecteerde partners. Veelal zijn dat digitale beveiligers die BitSensor opnemen in het pakket dat zij klanten aanbieden. Samenwerkingen zijn er in Nederland (CGI en ON2IT), België (Zion Security) en in andere landen met Sematext. Gesprekken in de Verenigde Staten lopen. ‘Het doel is de komende paar jaar flink in Europa uit te breiden’, zegt Van Vreeland. ‘Altijd via partners, zodat wij klein kunnen blijven met focus op ons product.’

Beide jonge ondernemers verwachten dat de vraag naar applicatiebeveiliging de komende tijd een enorme vlucht neemt. Mede geholpen door de komende Europese wetgeving rond gegevensbescherming en de meldplicht datalekken. ‘Organisaties moeten precies weten wat er op een applicatie gebeurt’, zegt Dings. ‘Iets wat met iedere andere oplossing eigenlijk  onmogelijk is. Best cool, toch?’

 

Bron: FD 25-11-2017

Jeugd is de hele dag online maar kan informatie moeilijk

Geplaatst op

Jongeren denken vaak dat zij online de weg wel weten en websites prima kunnen beoordelen. In de praktijk blijkt dat zij dit toch minder goed kunnen. Veel jongeren hebben vooral moeite met het zoeken naar betrouwbare informatie op internet. Zo is minder dan de helft van alle leerlingen in staat informatie op websites kritisch te beoordelen.

Dat blijkt uit cijfers van de Monitor Jeugd en Media 2017 van Kennisnet. Ruim 1600 jongeren van tussen de 10 en 18 jaar hebben een vragenlijst ingevuld over hun internetgebruik. Daarnaast maakten ruim 1000 jongeren een toets waarbij hun online vaardigheden in beeld werden gebracht. Daarbij werd onder meer gekeken hoe zij zoekopdrachten online uitvoerden.

De Monitor wordt gepubliceerd in het kader van de Week van de Mediawijsheid die vandaag begint. Het thema dit jaar is Generatie Media: Samen mediawijs. De organisatie roept scholen, ouders, jongeren en kinderen op om in gesprek te gaan over online gedrag en digitale vaardigheden.

Kinderen zijn handig online en met digitale apparaten. Wel blijkt, hoe lager het schoolniveau, hoe minder goed de digitale vaardigheid is. Zo letten vwo’ers bij het beoordelen van informatie vaker dan leerlingen van andere niveaus, op of de info op meerdere websites voorkomt, of de bron betrouwbaar is en wat de uiterlijke kenmerken van de website zijn.

“Nog te veel kinderen worstelen met het beoordelen van informatie die zij online vinden. Zeker in het licht van de discussie die nu plaatsvindt over fake news en het leren programmeren, laat dit rapport zien dat je moet beginnen bij de basis,” vertelt Remco Pijpers, expert digitale geletterdheid. “Als de basis goed is, kun je volgende stappen zetten. Die basis is belangrijk voor hun toekomstige werk in de maatschappij. En dat vraagt meer dan alleen handig zijn online. Je moet je informatie kunnen vinden en verifiëren.”

Uit het onderzoek blijkt verder dat leerlingen hun digitale vaardigheden vooral ontwikkelen in hun vrije tijd en niet op school. “We zien wel dat scholen graag willen en hun best doen, maar ze hebben daar hulp bij nodig,” zegt Pijpers. “Op sommige scholen is het al wel een vast onderdeel van de lessen.”

Op het Gelderse AOC Oost, een vmbo-school, komen digitale vaardigheden in de schoolvakken terug zonder daar de nadruk op te leggen. Lyanca ten Donkelaar is teamleider op deze school. “Ik heb onderzoek gedaan naar de digitale vaardigheden van leerlingen. Ook hieruit bleek dat leerlingen onder de maat presteren. Als ik hen online iets liet uitzoeken, merkte ik dat zij de informatie uit het eerste zoekresultaat van Google klakkeloos overnemen. Bij een les over anticonceptie is dat wel even schrikken.”

Geen apart vak

De resultaten van het onderzoek van Ten Donkelaar zijn door het schoolbestuur overgenomen. Ze werden bij wijze van proef in het lesprogramma opgenomen. Dit was zo’n succes, dat het een vast onderdeel is geworden van de lessen. Elke leraar kan het gebruiken bij de vakken die worden gegeven.

Volgens Ten Donkelaar is het belangrijk om informatie over digitale vaardigheden door het hele lesprogramma heen te weven. Dat werkt volgens haar beter dan er een apart vak van te maken.

Toch kunnen scholen het niet alleen en is ook de rol van de ouders van belang. “Ouders moeten in gesprek gaan met hun kinderen. En ze moeten er vaker contact over hebben met school, niet alleen tijdens ouderavonden,” zegt Pijpers. En hij is het met Ten Donkelaar eens dat een apart vak niet werkt. “Digitale vaardigheden moeten een vast onderdeel worden van het curriculum. Bij taal kun je het bijvoorbeeld hebben over online teksten en bij geschiedenis kun je bronnen met elkaar vergelijken.”

Bron: NOS 17-11-2017

Leerlingen overschatten eigen digitale vaardigheden

Geplaatst op

De digitale vaardigheden van leerlingen zijn minder goed dan zij zelf denken. Dat blijkt uit de Monitor Jeugd en Media 2017 van Kennisnet. Deze monitor brengt de vaardigheden van kinderen tussen 10 en 18 jaar in kaart.

Vooral het zoeken op internet en het beoordelen van informatie blijkt lastig. Minder dan de helft van de leerlingen is in staat online informatie kritisch te beoordelen en te gebruiken, zo schrijven de onderzoekers. Naarmate het schoolniveau stijgt, worden zij daar wel beter in. Verschillen in vaardigheden worden ook veroorzaakt doordat leerlingen digitale vaardigheden vooral thuis opdoen. Zij krijgen daarbij hulp van hun ouders. Kinderen van hoger opgeleide ouders leren thuis meer over digitale geletterdheid dan hun leeftijdsgenootjes met lager opgeleide ouders. Vooral leerlingen in het primair onderwijs weten nog niet waar ze op moeten letten om online informatie op waarde te kunnen schatten.

Omgaan met digitale leermiddelen

ICT speelt een steeds belangrijkere rol in onze maatschappij en op school en naar verwachting wordt het steeds belangrijker om met computers om te gaan. In de klas worden meer en meer digitale leermiddelen gebruikt omdat je hiermee leerlingen veel beter en makkelijker onderwijs op maat kunt bieden. Als we willen dat onze kinderen hiervan profiteren en goed voorbereid worden op hun toekomst, moeten ze er wel mee kunnen omgaan. Daarom vindt de PO-Raad het belangrijk dat leerlingen en leerkrachten digitale kennis en vaardigheden leren en digitaal geletterd worden zoals dat heet.

Curriculum.nu

Digitale geletterdheid is een van de negen leergebieden waarvoor onder de naam Curriculum.nu nieuwe kerndoelen worden ontworpen. De komende maanden buigen leraren, schoolleiders en scholen zich over de vraag wat leerlingen op dit vlak moeten kennen en kunnen. Dat gebeurt ook voor acht andere leergebieden. Samen moet dit leiden tot een nieuw curriculum voor primair en voortgezet onderwijs. Dit is nodig omdat de huidige kerndoelen zijn verouderd. Een nieuw curriculum moet bovendien leiden tot minder overladenheid, een betere samenhang in het onderwijsprogramma en doorlopende leerlijnen.

Bron: PO-Raad 17/11/2017