Nieuws

Deze geschiedenisleraar gebruikt de nieuwe Call of Duty in zijn lessen

Geplaatst op

Een van de meest populaire computerspellen, Call of Duty, komt vandaag met een nieuwe game. Voor het eerst in tien jaar is het weer een spel dat zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog. En dat is niet alleen leuk voor fanatieke gamers, maar ook voor de geschiedenisles.

Tom de Kruif (29), vorige maand nog uitgeroepen tot ‘Geschiedenisleraar van 2017’, gebruikt regelmatig videogames in zijn lessen. “Assassin’s Creed: Unity bijvoorbeeld, dat zich afspeelt tijdens de Franse Revolutie”, vertelt hij. “Door samen tijdens de les zo’n game te spelen, hoop ik de interesse bij mijn leerlingen aan te wakkeren.” We gingen langs bij Tom om het spel te testen.

Dankzij de laptop

In de game Stronghold liet De Kruif zijn leerlingen het ultieme kasteel bouwen. “Steeds meer leerlingen nemen een laptop mee naar school. Ik denk dat hierdoor ook steeds meer docenten games in de klas zullen gaan gebruiken”, zegt hij.

De leraar verwacht veel van de nieuwe Call of Duty: WWII. “Het is lang geleden dat er een game over de Tweede Wereldoorlog op de markt kwam, dus veel van mijn leerlingen hebben er nog nooit één gespeeld. Ik hoop echt dat ze tijdens het spelen geprikkeld worden om zich meer in het verhaal achter de game te verdiepen.”

D-Day

De game begint op D-Day, 6 juni 1944. “Het ziet er echt bijzonder realistisch en gaaf uit”, zegt De Kruif tijdens het gamen. “Het uniform, de wapens, de bootjes…alles klopt.” En dat maakt het voor hem goed bruikbaar in zijn lessen. “Ik kan hiermee aansluiten bij de belevingswereld van mijn leerlingen, want die spelen nu eenmaal veel games. En ik kan dit aangrijpen om te bespreken of de game realistisch is, en waarom wel of niet.”

Wat is er niet realistisch aan de game? “De slag om Omaha Beach tijdens D-Day ging in het echt heel erg traag. Mensen waren erg angstig en durfden niet te schieten. Dat heb je hier niet. Bij zo’n spel speel je de missie in twintig minuten uit. Maar goed, je kunt ook niet van de ontwikkelaars verwachten dat ze een spel maken waarbij het meerdere dagen duurt om een strand te veroveren.”

Ook de bunkers zijn niet precies zo gemaakt zoals ze in Normandië zijn. “Ik vind het jammer dat er her en der nazi-slogans in bunkers op de muur staan. Die zijn er in het echt nauwelijks.” In het spel zit ook een scene die de opa van zijn beste vriend in het echt heeft meegemaakt. “Hij heeft het prikkeldraad op het strand opgeblazen en daar een hoge onderscheiding voor gekregen”, vertelt De Kruif. “Dat kan ik precies naspelen in de game. Dat is wel echt heel gaaf.”

Bloederig

Voor de onderbouw vindt hij het spel wat te bloederig, maar bij de bovenbouw durft hij het wel aan. “Zeker omdat leerlingen op tv en online wel bloederiger dingen gewend zijn. Daar komt bij dat uit onderzoek blijkt dat gewelddadige games niet aanzetten tot gewelddadig gedrag. En laten we eerlijk zijn: oorlog is ook bloederig, smerig en verschrikkelijk.”

“Ik kan me voorstellen dat mensen moeite hebben met het spel”, besluit hij. “Maar ik denk dat je het anders moet zien. Het helpt de leerlingen om interesse te hebben in de Tweede Wereldoorlog. Ik heb liever dat ze zo’n spel spelen en dat ze er meer over willen weten, dan dat ze het niet spelen en dat de Tweede Wereldoorlog langzaam wordt vergeten door mijn leerlingen.

Bron: NOS 03-11-2017

 

Advertenties

Beste Arie Slob, zorgt u dat kinderen leren programmeren?

Geplaatst op

Wanneer wordt programmeren voor kinderen nou verplicht op school? Want kinderen wil je toch voorbereiden op de toekomst, zegt Wolter Smit, ceo van softwarebedrijf TOPdesk uit Delft. Hij schreef Arie Slob, de nieuwe minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs, deze brief.

Beste minister Slob,

Mijn naam is Wolter Smit, ceo en oprichter van softwarebedrijf TOPdesk uit Delft, vader van een zoon en een dochter. Ik vind dat programmeren voor kinderen verplicht moet worden in het onderwijs. Zelf was ik als kind een enorme nerd. Al op mijn dertiende zat ik het liefst met mijn neus in de programmeerboeken. Mijn vader haalde een Commodore64 in huis, de voorloper van de Nintendo, waarop je ook zélf kon programmeren. Ik was er niet van weg te slaan. Na mijn studie technische natuurkunde werd ik ondernemer. Zelf maak ik geen software meer, maar ik heb er nog elke dag profijt van dat ik wel weet hoe het moet. Dat heeft zeker bijgedragen aan mijn succes als ondernemer.

Leren programmeren ≠ programmeur worden

Even voor de duidelijkheid hoor: ik vind niet dat elk kind programmeur, technicus of ondernemer moet worden. Niet elke basisschoolleerling of puber zit graag met zijn neus in de programmeerboeken. Maar weten wat programmeren inhoudt, daar heeft de hele maatschappij baat bij. Nog te vaak merk ik dat managers onderschatten hoe lang het duurt en hoe complex het is om software te bedenken en te bouwen. Daardoor worden er nogal eens keuzes gemaakt die desastreus uitpakken. Ze maken basale fouten, omdat ze de complexiteit niet snappen. Ook aan de kant van de overheid zijn er de afgelopen jaren nogal wat zaken fout gegaan als het gaat om het uitvoeren van grote ict-projecten.

Bied programmeren voor kinderen aan

Terug naar het onderwijs. Ook als ouder heb je de verantwoordelijkheid om je kinderen warm te maken voor techniek. Mijn vrouw en ik hebben expres een basisschool uitgekozen die niet vies is van techniek. Makkelijk was dat trouwens niet, want veel basisscholen doen er niks mee. Docenten zijn over het algemeen niet de meer technische mensen, veel ouders vinden het nog lastig en eng. Tja, nogal wiedes dat kinderen dan geen technische opleiding kiezen. Het hoeft niet lastig te zijn: laat kinderen klooien met Lego Mindstorms, met Bomberbot of Scratch. Of schaf een klooikoffer aan. Maar vul in elk geval het gat dat er nu is en bied programmeren voor kinderen gewoon aan.

Arbeidsmarkt vraagt programmeurs

Wellicht dat u denkt dat ik preek voor mijn eigen parochie. Dat is maar half waar. Tot nu toe lukt het ons bij TOPdesk nog goed om programmeurs te vinden. Ik zeg altijd: kunstenaars kennen andere kunstenaars. Als het als ondernemer lukt om jouw bedrijf bekend te laten staan als plek waar programmeurs tot hun recht komen en worden gewaardeerd, dan vind je ze wel. Maar ik heb in het verleden ook meegemaakt dat de markt op hol kan slaan. Toen de eerste internetbubbel barste, kreeg ik geen sollicitanten meer aan tafel voor ontwikkelposities. Toen hebben we kantoren in Duitsland en Hongarije geopend.

Leer belangrijke vaardigheden daarom aan

De Primair-Onderwijs Raad wees programmeren voor kinderen verplicht opnemen in het onderwijs af. De focus zou juist veel breder moeten zijn, zei de raad. Daar ben ik het mee eens: digitale geletterdheid, leren hoe je je eigen privacy online kunt bewaken, dat is allemaal belangrijk. Maar de redenering die de raad hanteerde, volg ik niet. Namelijk: door te vragen om programmeren, zou het bedrijfsleven het onderwijs dicteren. Een stom argument als je het mij vraagt. Je wilt toch juist dat school aansluit op de maatschappij? Daar hoort de arbeidsmarkt ook bij.

 

Beste minister: make it happen.

 

Met vriendelijke groet,

Wolter Smit

Bron: VNO NCW 30-10-2017

 

Slimme speakers

Geplaatst op Geupdate op

De spraakgestuurde assistent luistert dag en nacht met u mee. Techgiganten zien onontgonnen markt, maar hoe er geld te verdienen valt, moet nog blijken.

Het regent aankondigingen. Apple begint eind dit jaar met de verkoop van de HomePod, een speaker die wordt aangestuurd met de spraakassistent Siri. Marktleider Amazon verlaagt de prijzen van zijn Echospeakers. Google presenteert een nieuwe slimme speaker. Het gerucht gaat dat Facebook aan een spraakassistent werkt. De Chinese tech-reuzen Tencent en Alibaba hebben hun eigen assistenten en bijbehorende speakers. Alle grote technologiebedrijven zetten zwaar in op spraakgestuurde virtuele assistenten, te vinden op de mobiele telefoon en in ‘slimme’ luidsprekers. Wat lang een nichemarkt was, staat op het punt van een echte doorbraak, geholpen door steeds betere software en meer computerkracht, en gestuwd door de vooruitzichten van een grote, nog vrijwel onontgonnen markt.

In de Verenigde Staten zijn speakers met een geïntegreerde spraakassistent — die bijvoorbeeld je boodschappen bestelt, muziek afspeelt, vragen beantwoordt en de wekker zet — al een voorzichtige consumentenhit. De schattingen van het aantal slimme speakers dat in 2017 is verkocht lopen uiteen, maar liggen gemiddeld rond de 20 miljoen. Dat aantal verbleekt nog bij de verkoopcijfers van bijvoorbeeld fitnesshorloges (zeker tien keer zoveel). Maar nu de keuze steeds groter wordt, zal de verkoop een verdere impuls krijgen, voorspellen analisten. Slimme spraakassistenten worden aangestuurd door complexe software, die beter wordt naarmate hij meer data verwerkt. Hoe meer we tegen onze assistent praten, des te beter hij ons kent en kan bedienen. Maar de technologie staat nog in de kinderschoenen, schetste Eric Schmidt, CEO van Alphabet (het moederbedrijf van Google) vorige week op een congres in Den Haag.

De apparaten worden nog vooral gebruikt om muziek af te spelen. En de meest gestelde vraag aan de Google-assistent is: ‘Wat voor weer is het?’ Schmidt: ‘Maar nog even en we hebben allemaal onze assistent die de school informeert dat ons kind ziek is, die je sleutels zoekt en die de brandweer waarschuwt.’ Dat klinkt onschuldig. Maar de grote techbedrijven ruiken een enorme markt, ook al weet niemand nog hoe die er precies uit gaat zien en waarmee het grote geld verdiend gaat worden. Is dat met de verkoop van slimme apparaten, of vooral in het vermarkten van de enorme hoeveelheden data die de assistenten, die 24 uur per dag met ons meeluisteren, gaan verzamelen? De implicaties van de doorbrekende technologie zijn groot. In de eerste plaats voor onze privacy. Spraakassistenten staan in principe altijd aan, wachtend op een commando als ‘Hey Alexa’ of ‘OK Google’. Interacties worden bewaard, want hoe meer de assistent van je weet, hoe beter de klantervaring. Bestelt de gebruiker vaak dezelfde pizza, dan zal Alexa op je vraag naar pizza antwoorden: ‘Wil je weer de Margherita?’.

Zoals bij veel moderne technologie is privacy de prijs van gemak. En vertrouwen in bedrijven zoals Amazon en Google de crux. Nu is kennis van je pizzasmaak niet zo gevoelig, maar vertrouwen we een apparaat in huis dat 24 uur per dag met ons meeluistert? Dat alles van ons weet? Bedrijven moeten ook oppassen, waarschuwt Scott Galloway, hoogleraar marketing aan de New York University in een veelbesproken videoblog. Spraaktechnologie kan volgens hem het einde van grote merken inluiden. Een consument die met Alexa, de spraakassistent van marktleider Amazon, een generiek product zoals bijvoorbeeld batterijen bestelt, zal als eerste die aangeboden krijgen waar Amazon de hoogste marge op ontvangt. De verpakking en optimale prijsstelling — zaken waar bedrijven zoals Unilever en Proctor&Gamble nu grote bedragen en veel onderzoek in steken — worden minder belangrijk als de consument mondeling bestelt, zonder een product te zien. En omdat Amazon door Alexa’s immer gespitste oren precies weet wat de consument wil hebben, kan het zijn aanbod perfect aanpassen op de vraag. Niet voor niets heeft de internetreus supermarktketen Whole Foods gekocht.

De competitie tussen de spraakassistenten speelt zich nu nog voornamelijk af in de Verenigde Staten. De reden daarvoor is simpel: de talenkennis van de spraakassistenten laat vooralsnog te wensen over. De meesten werken niet of niet optimaal in het Nederlands, en wie in het Engels probeert iets in Nederland te bestellen komt bij gebrek aan Nederlandse apps, of ‘skills’ zoals ze bij Amazon heten, niet ver. Nederlandse appbouwers testen wel volop de mogelijkheden, blijkt uit navraag. En sommige bedrijven hebben de technologie al omarmd. De slimme lampen van Philips Lighting zijn via verschillende spraakassistenten, inclusief de Chinese varianten, te bedienen. Supermarktketen Jumbo experimenteert sinds kort met gesproken boodschappenlijstjes. Siri, de assistent van Apple, kan de Jumboapp openen en een lijst helpen opstellen. Ideaal voor bijvoorbeeld in de auto of als je met vieze handen in de keuken staat, denkt Roy van Keulen, directeur Online bij Jumbo. Gemak is volgens hem uiteindelijk waar de slag om de consument mee gewonnen gaat worden: ‘De intentie is bestellen zo makkelijk mogelijk te maken. Dat is voor loyaliteit van de klant uiteindelijk het belangrijkst.’ De boodschappen daadwerkelijk bestellen zonder een toetsenbord te gebruiken is nog niet mogelijk. De klant moet nog steeds op de traditionele manier de boodschappenlijst controleren en een bezorgtijd reserveren. ‘De gesprekken zouden nu nog veel te lang worden als we alles gesproken zouden doen. Als de klant voor het eerst kaas bestelt moet je alle opties gaan opnoemen bijvoorbeeld. Maar een echte dialoog met de klant, dat is wel de droom.’

 Hackers

Slimme speakers zijn niet ongevoelig voor hackers. Dat bewezen onlangs een aantal Chinese onderzoekers. Zij ontdekten een softwarefout die hackers toegang kan geven tot de speakers, en daarmee het huis of de mobiele telefoon van de gebruikers van verschillende soorten spraakassistenten. De fout maakt een type aanval mogelijk, door de onderzoekers Dolphin genoemd, waarbij hackers van een afstandje stille, onhoorbare commando’s aan een apparaat geven. Dat lukt nu nog alleen op korte afstand, maar de onderzoekers verwachten met de juiste apparatuur  snel de afstand te kunnen vergroten waarop ze de controle over spraak gestuurde apparaten kunnen overnemen. De kwetsbaarheid zou in de software van verschillende fabrikanten zitten: spraakassistenten van zowel Amazon, Apple, Google, Microsoft, Samsung en Huawei zijn getroffen.

 

Bron: FD 16/10/2017

Het belang van leren programmeren

Geplaatst op Geupdate op

Hoewel er weinig bekend is over programmeeronderwijs, vindt deze onderzoeker dat scholen erop in moeten zetten. Zonder wetenschappelijke onderbouwing ontwierp ze zelfs een leerlijn. Waarom?

Deze onderzoeker vindt dat ieder kind moet programmeren. Dit schooljaar schrijf ik over onderwijstechnologie. Momenteel ben ik bezig met een groot verhaal over programmeeronderwijs. Daarvoor spreek ik verschillende deskundigen, belanghebbenden en betrokkenen. Het gesprek dat ik met universitair docent Felienne Hermans had, deel ik graag met jullie. De onderzoeker kijkt aan de TU Delft naar programmeeronderwijs voor basisschoolkinderen. Ook maakte zij een leerlijn programmeren voor het basisonderwijs.

Waarom vind je het belangrijk dat kinderen leren programmeren?

‘Daar heb ik drie redenen voor: de arbeidsmarkt, burgerschap en creativiteit.’ ‘Niet iedereen hoeft programmeur te worden, maar steeds meer mensen krijgen in hun werk te maken met dataanalyse. Een monteur draaide vroeger schroefjes aan, maar nu kom je met je auto bij de garage en doet de monteur eerst een software-update.’ ‘Ook wil je dat kinderen mee kunnen praten over het nieuws. Het nieuws is één groot softwarebulletin: Russische hackers in Amerika, Airbnb. Om mee te praten moeten kinderen iets van de context snappen.’ ‘En programmeren is een manier om je te uiten. Een paar jaar geleden maakte een vader een game toen hij zijn kind verloor aan kanker. In het spel moet je steeds kiezen: nog een keer chemo? Een nieuw apparaat proberen? Het interessante is: wat je ook kiest, het kind gaat toch dood. Je kan iets ‘van je af’ programmeren.’

Maar waarom moet dat al in het basisonderwijs?

‘Hoe later kinderen in aanraking komen met computers, hoe meer ze het idee krijgen: dit is niets voor mij. Veel kinderen van lage socio-economische afkomst hebben geen computer , of geen computer met internet thuis. Ook weten we uit onderzoek dat meisjes op heel jonge leeftijd al vooroordelen over hun eigen prestaties ontwikkelen. Meisjes van een jaar of acht, negen, zeggen al: ik denk niet dat ik kan programmeren.’

Vooral om emancipatoire redenen dus? Dan zou je kunnen zeggen: als ieder kind in het voortgezet onderwijs ermee in aanraking komt, hoef je dat in het basisonderwijs niet te doen.

‘Het is belangrijk dat het voor alle kinderen is. Als je het in de brugklas aanbiedt, heb je een groot gedeelte van de problemen opgelost. Maar dan moet je het ook op vmbo en havo aanbieden, niet alleen op het vwo. En dat wil ook niet zeggen dat je in het basisonderwijs helemaal niets meer moet doen: je hebt nog steeds die problematiek van jonge meisjes die denken dat programmeren niets voor hen is.’

Wat voor onderzoek doet u?

‘Mijn onderzoek gaat over welke methodes we kunnen gebruiken om lessen in programmeren effectiever te maken.’ ‘We weten nog heel weinig. Uit een van de onderzoeken die we hebben gedaan , blijkt dat kinderen tussen de elf en twaalf opeens significant beter kunnen programmeren. Na hun twaalfde kunnen kinderen opeens een stuk logischer redeneren.’ ‘Als je kinderen in het basisonderwijs dus wilt leren programmeren, of: computational thinking wilt aanleren, moet je je goed realiseren dat je het concreet moet houden. Bijvoorbeeld: leg deze dierenplaatjes op volgorde.’ ‘In een andere studie laten we zien dat je kinderen niet onmiddellijk achter de computer moet zetten. Het is beter om ze oefeningen te laten maken op papier en concepten uit te leggen. Een computer is gaaf, maar kinderen verdrinken dan in de mogelijkheden.’ ‘Kortom, ik zou graag willen zeggen dat we weten wat het beste is voor alle kinderen, maar dat weten we gewoon nog niet.’

Waarom heb je dan toch een leerlijn programmeren ontwikkeld voor kinderen van groep één tot en met acht?

‘Het antwoord is simpel: leerkrachten hebben er behoefte aan. Als we naar scholen gingen, bleven leerkrachten maar zeggen: ‘Leuk, maar wat leren kinderen hier nu van?’ Veel lesmateriaal wordt gemaakt door nerds die het leuk vinden om te programmeren, maar die denken niet na over wat de leerdoelen zijn. Leerkrachten willen weten wat het doel is.’

Maar je weet toch niet of deze lessen tot dat leerdoel leiden? Er is geen onderzoek naar gedaan.

‘Niks doen is ook geen optie. De leerlijn is een voorzet. Voor kleuters is die motorisch: pakken, voelen en ervaren. Groep 4 en 5 krijgen heel concrete dingen te doen. Als een leerkracht zegt: ik heb het geprobeerd met groep 5 en het liep niet lekker, moet de les misschien naar groep 6 of 7. We hopen dat leerkrachten ons van feedback gaan voorzien.’

Ben je niet bang dat het kinderen afschrikt als je programmeren zo ‘schools’ maakt?

‘Dat geldt voor alles! Kinderen willen in groep 2 supergraag leren schrijven. Dat vinden ze een eer: iedereen kan schrijven, en dan horen ze erbij. Dan wordt het heel schools gemaakt in groep 3 en is het niet meer leuk.’ ‘Het alternatief is een mythe, die van het ‘zelf leren.’ Dat is een privilege. Je kan het jezelf alleen aanleren als je een computer hebt en je ouders je de ruimte geven daarmee aan de slag te gaan. Dus ja, het risico van ‘schools’ aanbieden is dat het kinderen afschrikt, maar het zorgt wel voor gelijke kansen.’

Hoogleraar computerwetenschappen Peter Sloot zei vorige week tegen me dat het onzin is om kinderen te leren programmeren. Je zou veel beter puzzels met ze kunnen doen om ze te leren complexe problemen op te lossen. Wat vind je daarvan?

‘Programmeren is meer dan computational thinking. Ik kan een programma maken dat willekeurige noten speelt of willekeurige woordjes voor me uitkiest. Dan kan ik de computer vragen om melodieën te maken die zo min mogelijk op elkaar lijken of drie woorden die geen letter met elkaar gemeen hebben, zoiets geks. Na wat spelen heb je dan misschien een mooie melodie of een mooi gedicht! Daar heb je helemaal geen computational thinking skills voor nodig, maar het levert iets moois op wat niet zo makkelijk zonder computer te maken is. Dat creatieve proces dat gun ik ieder kind.’ ‘Het is ook relevant dat er in de afgelopen decennia nog maar bar weinig is veranderd aan programmeertalen. De eerste programmeertaal voor kinderen werd in 1967 gemaakt en bevat in grote lijnen dezelfde bouwblokken als huidige programmeertalen. Ongetwijfeld riepen de Peter Sloots van de jaren zestig dat de vaardigheden die leerlingen met de programmeertaal Logo opdeden later niet meer zo zinnig zouden zijn. De leerlingen van toen zijn nu bijna aan hun pensioen toe.’

 

Bron: De Correspondent, 11/10/21017

 

Moeten alle kinderen in het basisonderwijs leren programmeren?

Geplaatst op

Deze computerwetenschapper denkt dat kinderen iets heel anders nodig hebben. Deze computerwetenschapper doet een voorzet voor écht programmeer-onderwijs!

Dit schooljaar schrijf ik over onderwijstechnologie. Momenteel ben ik bezig met een groot verhaal over programmeeronderwijs. Daarvoor spreek ik verschillende deskundigen, belanghebbenden en betrokkenen. Het gesprek dat ik met hoogleraar computerwetenschappen Peter Sloot had, deel ik graag met jullie. De hoogleraar computerwetenschappen is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, NTU Singapore en ITMO St. Petersburg en laat zien dat er heel ander onderwijs nodig is.

Er wordt vaak gezegd dat alle kinderen in het basisonderwijs zouden moeten leren programmeren. Volgens de industrie kan je er niet vroeg genoeg mee beginnen. Wat zou u aanraden?

‘Als de geschiedenis ons iets geleerd heeft, is het dat we absoluut niet kunnen voorspellen wat voor beroepen we over tien jaar nodig hebben. Eenieder die denkt daar iets zinnigs over te kunnen zeggen, kun je wat mij betreft negeren.’

Dan kan ik 90 procent van de mensen die ik interview negeren. Wat is er in die tien jaar binnen uw vakgebied veranderd?

‘Je moet het omdraaien: wat is er niet veranderd? Tot dertig jaar geleden moest je alles zelf programmeren. Als je een letter op je scherm wilde hebben, moest je die bij wijze van spreken eerst helemaal uittekenen. Dat hoeft allemaal niet meer, dat soort software is inmiddels diep geïntegreerd in de apparaten die we gebruiken.’

‘Dat is relevant omdat het betekent dat je je op een veel hoger niveau met problemen kunt bezighouden. Dat is ook nodig, want de wereld wordt steeds complexer en dan kun je je niet permitteren je met dat soort basale functies bezig te houden.’ ‘Als je vraagt: wat hebben we in de toekomst nodig? Dan kun je dus niet zeggen: we moeten allemaal leren programmeren. Dat is een heel specifieke expertise. Wat steeds belangrijker wordt, is het gestructureerd uit elkaar trekken van complexe problemen zodat je ze uiteindelijk in de computer kunt nabootsen: computational thinking.’

Programmeren en computational thinking worden vaak door elkaar gebruikt. Of er wordt gezegd: door te leren programmeren, leer je computational thinking. Wat is het verschil tussen de twee?

‘Het is goed om te weten dat veel ‘computational thinking’ gewoon zonder de computer gaat.’ ‘Computational thinking begint altijd bij een groot probleem, zeg: diabetes. Of je diabetes krijgt heeft te maken met hoe je genetisch in elkaar zit, met je immuunsysteem, met wat je eet, met je afkomst, met je sociale netwerk, en het kan zelfs te maken hebben met wat je verdient.’ ‘Dan kan je met z’n allen roepen dat het complex is en vervolgens wat anders gaan doen.’ ‘Je kunt ook denken: laat ik dat probleem in stukken breken. Dat uit elkaar trekken van het probleem is de eerste stap van computational thinking.’ ‘Vervolgens zoek je naar patronen die mogelijkerwijs een oorzakelijk verband aangeven. Bijvoorbeeld de relatie tussen suikerinname, erfelijkheid en psychische stress als gevolg van financiële zorgen. Als je die hebt gevonden, zeg je: nou, dan weet ik dus dat ik kan vermoeden dat ik – afhankelijk van mijn genetische achtergrond – diabetes ontwikkel, als ik meer dan zoveel suiker en vet eet en minder dan zoveel beweeg.’ ‘De kunst is nu om die patronen om te zetten in rekenregels. Daar zijn wiskunde, algoritmiek en logica voor nodig. Vervolgens komt het moment dat je wat je uit elkaar hebt getrokken weer in elkaar moet zetten. Dat gebeurt door die rekenregels in de computer te programmeren, want inmiddels is het zo complex geworden dat je het niet meer uit je blote hoofd of met pen en papier kunt doen.’ ‘Ten slotte test je met bekende informatie en data of je programma klopt. Pas dan ben je klaar om echte voorspellingen te gaan doen met de computer. Stel nou dat ik 100 gram suiker per dag meer binnenkrijg, is dat dan wel zo erg als ik per dag ook 15 kilometer ren?’

Daarover zegt technologiedenker Evgeny Morozov: leuk dat we een oplossing bedenken met een computer, maar daarmee simplificeer je het probleem eigenlijk zo dat je het probleem verdraait omdat het anders niet in jouw manier van oplossen past.

‘Dat is natuurlijk een beetje waar. Dat zal op veel plaatsen zeker gebeuren, want je bent bezig de wereld te vereenvoudigen: uiteindelijk probeer je ‘m in de computer te krijgen.’ ‘Neem dat diabetesvoorbeeld: toen we daarmee begonnen, gingen we naar artsen om ze te vragen naar oorzaken van diabetes. Die zeiden: dat is veel te ingewikkeld om allemaal te benoemen, maar je moet zeker hier- en hier- en hieraan denken. Vervolgens gingen we naar medisch-antropologen, naar sociologen en naar patiënten met dezelfde vraag. En die bleven maar zeggen: je bent dit en dit vergeten, je maakt het te simpel.’ ‘Maar op een gegeven moment, en dat kostte ons een jaar, zeiden ze: ja, nu heb ik alles wel gezegd wat ik wilde zeggen. Misschien hebben we iets over het hoofd gezien, dat kan altijd.’

Terug naar het onderwijs. Hoe zouden we kinderen computational thinking aan moeten leren?

 

‘Ik denk dat je op de lagere school veel beter puzzelspelletjes met kinderen kunt spelen en ze kunt laten zien hoe leuk het is om ingewikkelde problemen op te lossen. Daar kan je computers bij gebruiken, maar dat is een detail.’ ‘Stel dat je een huis wilt bouwen. Dan zeg je tegen die kinderen: hier heb je een gebied waar we een huis gaan bouwen met z’n allen. Dan praat je daarover. Waar moet het staan? Moeten er wegen naartoe leiden? Hoeveel kamers moet het huis hebben?’ Waar komt het riool, stroom, water?’ ‘Zo leren ze dat dingen met elkaar verweven zijn: dat de keuze over waar je de badkamer plaatst belangrijk is voor de keuze waar je de slaapkamer plaatst.’ ‘Zo leren ze dus met elkaar gestructureerd na te denken over een probleem. Dat kan je helemaal doen zonder dat je het huis gaat bouwen, zonder dat je zelf gaat metselen en solderen. Je kan er computers bij gebruiken, maar dat hoeft niet per se.’

De spelletjes voor kinderen die ik heb gezien om computational thinking aan te leren, gaan juist niet over die grote problemen. Ze leren kinderen instructies te geven, bijvoorbeeld aan een robot die die instructies dan uitvoert. Zijn we dan het verkeerde aan het aanleren?

‘Ja, dat denk ik echt. Misschien vloek ik nu in de kerk, maar ik denk dat het onzin is om kinderen aan te leren hoe een robotje van A naar B komt. Zoals je kinderen nu niet meer hoeft aan te leren hoe je dat lettertje op het scherm krijgt, zo zijn de stapjes van die robot over vijf of tien jaar al ingebouwd zodat je daar niet meer over na hoeft te denken. Dan zeg je gewoon: als mijn robot vandaag gelukkig is en de zon schijnt dan loopt hij van A naar B, en dan doet hij dat vanzelf.’ ‘Dat wil niet zeggen dat die programmeervaardigheden er niet meer zijn, maar die leer je later wel als je daar toevallig in geïnteresseerd bent – net zoals je nu nog steeds na kunt denken over waar je die letter in het scherm zet.’ ‘Spelen met zo’n robotje is natuurlijk wel leuk. Niet om ze te leren programmeren, maar wel om de angst voor techniek weg te nemen. Mijn grootmoeder was bang voor de afstandsbediening, dat moeten we zien te voorkomen. De toekomst is digitaal, of we nu willen of niet.’

Bron: De Correspondent, 04/10/2017

’Cyberdreigingen zijn erger dan men denkt’

Geplaatst op

Kinderen openden met Dick Schoof (achtergrond) de Cyber Security Week. Nederland wordt digitaal bedreigd, en de situatie is erger dan mensen denken. We kunnen de tegenstanders niet bijbenen, zei de Nationaal Coördinator Terreurbestrijding en Veiligheid, Dick Schoof, bij de opening van de Cyber Security Week in Den Haag.

Het gevaar groeit sneller dan de verdediging. Schoof: „De situatie is meer dan zorgelijk. Echt heel zorgelijk. De dreiging is groot en hun acties verlopen succesvoller dan onze tegenmaatregelen”.

Bij de opening van de actieweek werd bekend gemaakt dat cybercrime Nederland nu al elk jaar 10 miljard euro kost. Dat bedrag kan zelfs oplopen tot 100 miljard als de tegenmaatregelen niet afdoende meer zijn.

De dreiging komt van criminelen en van inlichtingendiensten van landen. Nu blijft het volgens Schoof nog bij speldenprikjes, waarmee hackers willen aangeven waartoe ze in staat zijn. Maar ze zouden de elektriciteitsvoorziening plat kunnen leggen, de bankwereld kunnen verstoren of bedrijfsgeheimen kunnen stelen om de economie te ondermijnen. Schoof: „We moeten bewust zijn van het feit dat eigenlijk alles gedigitaliseerd is.”

Hij krijgt bijval van Inge Philips van adviesbureau Deloitte. Ze werkte eerder voor inlichtingendienst AIVD en het Team High Tech Crime van de landelijke politie. „Het gaat om alle voorzieningen die we dagelijks gebruiken, van pinnen tot stoplichten. Alles wat wij doen, heeft een digitale basis. En zonder voldoende beveiliging zijn we kwetsbaar in alle delen van de samenleving. Een probleem op één plek kan zich heel snel verspreiden naar andere domeinen”, zegt Philips.

 ‘Ophaalbruggen’

De oplossing: segmenteren. Aparte systemen maken, met goede ophaalbruggen ertussen, zodat een storing geen andere netwerken kan meesleuren. Philips: “Maar we moeten niet voor alles naar de overheid kijken, we moeten onze systemen zelf ook veilig maken. Consument, koop geen rommel. En beste producent, verkoop geen dingen die niet af zijn maar zorg dat de veiligheid zit ingebakken.”

Nederland heeft te weinig ICT-specialisten, en daarom willen Schoof en Philips dat er meer geld komt voor onderwijs. Philips: “Vanaf de basisschool moeten kinderen leren dat dit een digitale samenleving is. Het gaat niet weg, het wordt alleen maar meer. Scholen hebben wel allemaal hippe iPadjes die leerlingen mogen gebruiken, maar de inhoud van de lessen is hetzelfde als dertig jaar geleden. Dat kan niet, het is 2017. We moeten er iets aan doen, en snel.”

 

Bron: NHD 26/09/2017

 

René Visser, Corine Laurant, Bart Kuipers en Chris van Meurs toegevoegd aan bestuur Stichting Purmer Valley

Geplaatst op

Het bestuur van Stichting Purmer Valley wordt versterkt met Corine Laurant, Bart Kuipers, Chris van Meurs en René Visser. ‘We zijn na de oprichting van de Stichting en de bekendmaking van de partners Purmerendse Scholengroep, Horizon College, Rabobank en de Gemeente Purmerend, op zoek gegaan naar mensen die de organisatie verder kunnen versterken,’ aldus Dirk Tuip, voorzitter van de Stichting. ‘In de afgelopen weken hebben we dan ook diverse gesprekken gevoerd met kandidaten die wij hebben geselecteerd of die zich hebben aangediend. Door onze focus op de samenwerking tussen onderwijs, IT-bedrijven en de Gemeente, is het logisch dat we mensen uit het onderwijs zochten. Met deze vier nieuwe bestuursleden versterken we ons bestuur flink op dit gebied.’

René Visser

René Visser is een goede bekende voor Purmer Valley. Hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het enthousiasme bij de PSG en Horizon College om met Purmer Valley in zee te gaan. René is directeur van SG Antoni Gaudì en SG Nelson Mandela en campusvoorzitter VMBO-PRO. Hij is al jaren zeer actief om IT een grotere rol in het onderwijs te laten spelen. Zo werd er onder zijn leiding een versneld leertraject gestart voor Netwerkbeheer en is hij nu bezig met het volgende versnelde leertraject, namelijk applicatieontwikkeling. Ook introduceerde hij iPad-leren op de school, waarvan hij zelf zegt dat het daar niet om gaat; ‘Een iPad is geen doel, maar een middel om 21ste-eeuws onderwijs vorm te geven. Onderwijs dat uitgaat van het kind in plaats van de leerstof. Met digitaal onderwijs hebben scholen de mogelijkheid om een gepersonaliseerd leertraject voor leerlingen te ontwerpen en zo tegemoet te komen aan de eisen van onderwijs in de 21ste eeuw.’

Corine Laurant

Corine is directeur-bestuurder van Stichting Kinderopvang Purmerend en vormt voor Purmer Valley een ervaren bestuurder met een stevige achtergrond in media, onderwijs en maatschappelijk ondernemen. Corine was onder meer lid van het verenigingsbestuur bij Veronica. Corine licht haar motivatie toe; ‘Digitaal onderwijs is net zo belangrijk als leren lezen en schrijven. Het is belangrijk om op jonge leeftijd kinderen kennis te laten maken met techniek en IT. Tenslotte vraagt deze dynamische digitale wereld om gemotiveerde en goed opgeleide medewerkers.’

Chris van Meurs

Chris is voorzitter van het College van Bestuur van OPSO|SPOOR, de koepel waaronder 37 basisscholen in Purmerend en omgeving vallen. Maar Chris heeft niet alleen ervaring in het basisonderwijs: voor hij bij OPSO|SPOOR aan de slag ging, was hij directeur bij Scholen aan Zee in Den Helder. Hij is toezichthouder bij ROC TOP in Amsterdam. Net als René heeft Chris veel affiniteit met IT en onderwijs. ‘De ontwikkelingen in de samenleving gaan razendsnel met IT als belangrijke katalysator. Om een weg te vinden in die samenleving maar ook om daar nu en straks een bijdrage aan te kunnen leveren, kun je niet vroeg genoeg beginnen om kinderen vertrouwd te maken met IT. Ze te leren begrijpen hoe het werkt maar ook door ze te leren hoe ze die wereld kunnen sturen door bijvoorbeeld programmeerlessen in samenwerking met het bedrijfsleven. Tenslotte zijn deze jonge kinderen de toekomstmakers en vormen zij het fundament onder de ambities van Purmer Valley.

Bart Kuipers

Bart heeft de afgelopen twintig jaar goede ideeën omgezet in succesvolle bedrijven. Het zit in zijn karakter om zijn vooruitziende blik met een hoog ambitieniveau om te zetten in ondernemerschap. De meest bekende is waarschijnlijk wel Webregio. Barts eerste bedrijf kennen we in Purmerend als All Office Kuipers. Op dit moment is Bart ook bestuurslid bij de Stichting Vrienden voor Purmerend, die diverse activiteiten ontplooit voor het goede doel. Bart legt uit waarom hij Purmer Valley belangrijk vindt; ‘Naar de toekomst toe zie ik dat een schaarste zal ontstaan aan medewerkers met het gewenste kennisniveau in het MKB. Met Purmer Valley kunnen we de handen ineen slaan om de opleidingen de juiste richting in te sturen. We moeten zorgen dat de kwaliteit van de huidige opleidingen op het niveau komt waar vraag naar is. De band tussen het bedrijfsleven, de ICT bedrijven, overheidsinstellingen en de verschillende opleidingen moet meer vorm krijgen. Daar wil ik graag aan bijdragen.’

Bedrijven integreren in onderwijs

Dirk Tuip licht de agenda van Purmer Valley toe; ‘Meer en meer wordt voor ons duidelijk dat één van onze belangrijkste taken is om de kloof tussen het onderwijs en het bedrijfsleven te dichten. Er is al een tekort aan goed gekwalificeerd IT personeel en dat wordt de komende jaren alleen maar erger. Het curriculum sluit niet voldoende aan en docenten kunnen onmogelijk alle ontwikkelingen bijhouden. Willen we onze positie behouden, dan zullen we gezamenlijk moeten zorgen voor de banen van de toekomst. Als we dat flink kunnen verbeteren, dan zal dit vanzelf andere bedrijven gaan trekken, omdat we hier topstudenten afleveren die direct aan de slag kunnen. Daarom is ook echt van belang dat nog meer ICT-bedrijven uit de regio zich bij Purmer Valley aansluiten.’

Namens het bestuur van Purmer Valley vult secretaris Daniël Pardoen aan; “Naast deze uitbreiding van het bestuur maken we samen met het onderwijs concrete plannen die in het nieuwe schooljaar al echt zichtbaar zullen gaan worden voor scholieren, docenten en IT-bedrijven in Purmerend en omgeving.”